Een groene vriend


Wij wonen aan de rand van het bos. De hertjes slapen af en toe in onze achtertuin of staan ons in de vooravond op te wachten op de oprit. Ik herinner me ook nog levendig die eerste nacht dat we in ons huidige huis sliepen. We werden gevoed, opgeladen door de prachtige natuur hier. Onze energie stroomde zodanig dat we nauwelijks sliepen van de verbazing.

Dat was het moment dat ik echt besefte dat die natuur onze bondgenoot is. Ze helpt ons en het is onze verantwoordelijkheid om zorg voor haar te dragen. Daarom doet het me pijn dat zowat ieder vrij stukje groen wordt volgebouwd, omdat een Belg een baksteen in de maag heeft. De doorsnee Belg sluit de ogen voor wat we uitvreten met die mooie moeder Aarde. En dan licht mijn hart weer op wanneer ik zie dat de plaatselijke jeugdbeweging hier voorbij komt en zakken vult met troep die ze in en rond het bos vinden.

Ik word ook blij wanneer ik in Nederland kom en toch wel een duidelijk verschil zie. Zelfs in een stad als Amsterdam kan ik ademen omdat er ruimte bewaard is voor parken, bomen, groen. In een stad als Antwerpen voel ik die zuurstof niet. Ik wijs niet met de vinger, alleen mag er wat veranderen. We mogen weer leren voelen - want de meesten van ons hebben het afgeleerd - wat de aarde en de natuur ons geven.

Het begint vaak bij onze kinderen. Onlangs ging onze zoon van drie, Helder, met zijn papa in het donker het bos in. Hij was bang voor het donker en voor vertrek klampte hij zich aan mij vast. Hij wilde niet. Zijn papa zei toen: “Jongen, angst hoort bij het leven en je mag een manier zoeken om daarmee om te gaan. Ik help je daarbij. Ik zal je in het begin dragen.” Samen vertrokken ze, een angstig kind en een beschermende papa. Die papa wilde zijn zoon aan de hand van het contact met de natuur leren hoe om te gaan met bepaalde emoties die verlammen. Dat ziet hij ook echt als een stuk van zijn taak, zijn verantwoordelijkheid als ouder. Die eerste paar kilometers droeg hij Helder. Daarna liep hij aan het handje en begon hij te praten en vragen te stellen. “Hé papa”, zei hij plots. “De maan volgt ons.” Zijn papa legde uit dat die volle maan - want dat was het toen - hen beschermde en het leuk vond om een eindje mee te gaan. Helder stelde vragen over bomen, over plantjes, dieren. Wat was hij niet meer? Inderdaad, bang! Integendeel, hij genoot en met die korte beentjes van hem wandelde hij kilometers aan een stuk in het bos. Lichtjes hadden ze niet aan, het was echt pikdonker. Ze luisterden naar de geluiden en namen al het moois dat ze ontmoetten in zich op.

Op een gegeven moment ging ik zelf aan het raam staan - ik ging niet mee, want ik wilde ze dit vader-zoonleermoment gunnen - en zag ze met hun tweetjes terugkeren. Helder liep als eerste, trots en stoer en zo voldaan.

Ik wist nog niets van hun spannende avonturen maar ik zag een ander kind, een kind dat doorheen zijn angst was gegaan. En wat was ik weer fier op mijn zoon én zijn vader.

© webwerk jocelis.be